Categorieën
Bijvoeglijk naamwoorden Huiswerk Taal

Huiswerk 12 december

Hoi allemaal,

 

Hierbij het huiswerk voor de komende week:

Opdracht 1:

Ga thuis op zoek naar boeken of andere dingen over de Romeinen. Vraag of je het mee naar school mag nemen!

 

Opdracht 2:

Maak de volgende verhaaltjessommen. Schrijf er elke keer de som bij!

Tip: vaak helpt het om er een tekening bij te maken zodat je beter begrijpt wat ze vragen.

    • In een dierenasiel zitten 23 konijnen en 33 vogels. Hoeveel dieren zijn dat samen?
      ____________________ dieren.
    • Om kwart over 1 gaat Meike op de fiets naar oma. Ze is er om kwart voor 2. Hoe lang heeft ze gefietst?
      A: 10 minuten
      B: 20 minuten
      C: 15 minuten
      D: 30 minuten
    • Elise gaat haar vissen voeren. Ze moet voor iedere vis 3 schepjes voer in de vissenkom doen. Elise heeft 6 vissen. Hoeveel schepjes voer moet ze geven?
      ____________________ schepjes voer.
    • Op de school van Isa, Lise en Ilse is er op de actiemarkt een raadspel. Iedereen mag raden hoeveel knikkers er in een pot zitten. Isa denkt 21. Lise denkt 24 en Ilse denkt 27. In de pot zitten 23 knikkers. Wie zit er het dichtste bij en heeft er gewonnen?
      A: Isa
      B: Lise
      C: Ilse
    • Gijs heeft een aquarium met 40 Guppies en 15 Maanvissen. Hoeveel vissen heeft Gijs in zijn aquarium?
      ____________________ vissen.
    • Boris koopt 2 appels voor 80 cent. Ze betaalt met 1 munt van 50 cent en 2 munten van 20 cent. Hoeveel cent krijgt ze terug?
      ____________________ cent.
    • In een snoepjesfabriek worden losse snoepjes door een machine in zakjes verpakt. In ieder zakje zitten 50 snoepjes. De machine heeft nu al 700 snoepjes verpakt. Hoeveel snoepjes heeft de machine verpakt wanneer hij er nog 4 zakjes bij maakt?
      ____________________ snoepjes.
    • ‘Als we nog 5 tennisrackets verkopen hebben we deze week 900 tennisrackets verkocht’ zegt de marktverkoper. Hoeveel tennisrackets zijn er tot nu toe verkocht?
      ____________________ tennisrackets.
    • Een flatgebouw heeft 5 verdiepingen. Op iedere verdieping zijn 7 appartementen. Hoeveel appartementen zijn er samen?
      ____________________ appartementen.
    • Louise komt om half 8 uit bed. Om half 9 moet ze klaar zijn om naar school te gaan. Hoeveel minuten heeft ze om zich klaar te maken?
      ____________________ minuten.

 

 Opdracht 3:

Deze week hebben we geoefend met ‘de trappen van vergelijking’, bijvoorbeeld:

leuk – leuker – leukst

goed – … – …

Schrijf 15 trappen van vergelijking op.

 

Opdracht 4:

We hebben ook gewerkt met bevelzinnen. Schrijf 15 bevelzinnen op!

 

Succes & veel plezier,

Meneer Joost

 

ps. Denken jullie aan het oefenen met Rekentuin? Meel oefenen maak je kans op een plek in de top 10!

Categorieën
Bijvoeglijk naamwoorden Huiswerk Lidwoorden Rekenen Werkwoorden Zelfstandig naamwoorden

Huiswerk 24 september



Hallo allemaal,


Het huiswerk voor deze week gaat weer over werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. Je krijgt alleen geen werkblad mee naar huis, je moet ze zelf gaan zoeken…


Opdracht 1:

Zoek thuis, bij opa en/of oma, op school, bij de buren, enzovoort, naar werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.
Je mag er foto’s van maken en die uitprinten, je mag ze tekenen, opschrijven, er een PowerPoint presentatie van maken, enzovoort. Je mag het dus zelf weten. Je mag het zelfs op een USB-stick inleveren.


Ik wil dat je de volgende aantallen zoekt en vindt:

  • 20 werkwoorden
  • 25 zelfstandig naamwoorden
  • 25 bijvoeglijk naamwoorden.



Ter herinnering:

Lidwoord:

de
het
een
Werkwoord:
Iets wat een mens, dier
of ding doet.

zitten
slapen
luisteren


 Zelfstandig naamwoord:
Een woord
voor een mens,
dier of ding.

de vader
het konijn
het raam
Bijvoeglijk
naamwoord:
Zegt hoe iets eruit ziet 
of wat je ervan vindt.

het grote kind
het mooie paard
de witte auto

Opdracht 2:

Leg thuis aan je vader, moeder, broer, zus, opa, oma, buurman of buurvrouw uit hoe wij hier op school rekenen. Denk aan alle stappen die we zetten (springen naar het tiental)!

Voorbeeld sommen die je kunt gebruiken zijn:
  • 65 + 47 = 
  • 39 + 24 =
  • 87 – 49 = 
  • 56 – 38 =
Je kunt zelf altijd nog andere sommen gebruiken. 

Belangrijk: Je huiswerk moet je woensdag 1 oktober inleveren!


Groeten en heel veel succes,
meneer Joost